Bloemetjes en bijtjes
In een bloem zitten allerlei onderdelen. Meestal zit in het midden de stamper. Stuifmeel zit op de meeldraden, vaak is het gelig poeder.
Stuifmeel kan door de wind weggeblazen worden en op andere planten terecht komen of door insecten (zoals bijen en hommels) van de ene naar de andere plant gebracht worden. Eenmaal op de stamper gekomen groeit het naar binnen. Onderin de bloem gaan de zaadjes groeien. We zeggen dat de plant is ’bestoven’.
Windbloeiers
Planten die van de wind gebruik maken om het stuifmeel te verspreiden bloeien vaak vroeg in het voorjaar. Ze zijn vaak onopvallend omdat ze niet met felle kleuren insecten aan hoeven te trekken. Voorbeelden zijn hazelaar, els en wilg.
Insectenbloemen
Deze bloemen hebben fleurige kleuren om insecten aan te trekken. Niet alle insecten tegelijk natuurlijk! Vliegen en kevers zijn geen handige vliegers. De brede ’landingsbaan’ van schermbloemen zoals fluitenkruid en berenklauw gebruiken ze graag. Vlinders hebben een voorkeur voor roodachtige en paarse planten. Met hun lange, oprolbare tong kunnen ze diep in de bloemen komen.
Hommels zijn vrij zwaar en kunnen goed bloemen open maken waar je sterk voor moet zijn. Ze komen graag in brem- , akelei- of saliebloemen. Hommelbloemen zijn vaak geel of blauw.
Bijen bezoeken ook veel bloemen om nectar en stuifmeel te verzamelen. Zij zorgen ervoor dat allerlei fruitbomen bestoven worden. Het resultaat: appels en peren!
