Zaden op reis
Uit een zaadje kan een nieuwe plant groeien. Dat zaadje moet dan wel een gunstige plek vinden om te kunnen groeien, liefst ver bij de moederplant vandaan.
Zaden hebben allerlei trucs om zich te verspreiden:
- Waterplanten, bijvoorbeeld gele lis, hebben vaak zaden met een ’zwemvestje’ van kurk of lucht. Zo blijven ze drijven tot ze op een mooi plekje terecht komen.
- Anderen nemen het ’vliegtuig’. Bijvoorbeeld paardebloempluisjes die door de lucht zweven. Esdoornzaadjes worden ook wel helikoptertjes genoemd.
- Klittenband bestaat ook in de plantenwereld. Kleefkruid, hondstong en klis hebben zaden met kleine weerhaakjes. Daarmee houden ze zich vast in een dierenvacht of aan mensenkleren. Na een poosje krabben de dieren het zaad los en is het op een andere plek gekomen.
- Vogels kunnen zaden over grote afstanden meenemen. Ze eten bessen, slikken de zaden door en vliegen een eind. Heel ergens anders poepen ze de zaden weer uit.
- Over veel kleinere afstanden verslepen mieren zaden. Sommige zaden hebben een lekker aanhangseltje, ’mierenbroodje’ genoemd. De mieren verslepen de zaden naar hun nest, eten het mierenbroodje op en het zaad kan gewoon gaan groeien.
- Sommige planten zijn echte doe-het-zelvers. Ze kunnen zelf hun zaden een eind weg laten springen zoals springbalsemien en brem.
